Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

VEELGESTELDE VRAGEN

Heeft God een maker?

Heeft God een maker?

Een vader praat met zijn zoontje van zeven en zegt: „Héél lang geleden maakte God de aarde en alles wat daarop is. Hij maakte de zon, de maan en de sterren.” Het jongetje denkt daar even over na, en vraagt dan: „Maar papa, wie heeft God dan gemaakt?”

Zijn vader antwoordt: „Niemand heeft God gemaakt. Hij is er altijd al geweest.” Daar is zijn zoontje voorlopig tevreden mee. Maar terwijl hij opgroeit, blijft die vraag hem intrigeren. Hij vindt het moeilijk te begrijpen dat iemand geen begin heeft gehad. Zelfs het universum heeft een begin gehad. Waar komt God vandaan?, vraagt hij zich af.

Hoe beantwoordt de Bijbel die vraag? Eigenlijk op ongeveer dezelfde manier als de vader in het voorbeeld. Mozes schreef over Jehovah, God: „Al vóór de bergen geboren waren en U de aarde en de wereld voortgebracht had, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God” (Psalm 90:1, 2, Herziene Statenvertaling). De profeet Jesaja noemde Jehovah „een God van eeuwigheid” (Jesaja 40:28, Willibrordvertaling). En uit de brief van Judas valt op te maken dat God bestond in „alle voorbijgegane eeuwigheid” (Judas 25).

Deze Bijbelteksten laten zien dat God de „Koning der eeuwigheid” is, zoals de apostel Paulus hem noemde (1 Timotheüs 1:17). Dit betekent dat God altijd al heeft bestaan, hoe ver we ook teruggaan in de tijd. En hij zal ook altijd blijven bestaan (Openbaring 1:8). Een fundamenteel kenmerk van de almachtige God is dus zijn eeuwige bestaan.

Waarom vinden we dit idee moeilijk te begrijpen? Door onze beperkte levensduur hebben we een heel ander begrip van tijd dan Jehovah. Omdat Jehovah eeuwig is, is duizend jaar voor hem als één dag (2 Petrus 3:8). Ter illustratie: Een volwassen sprinkhaan leeft maar een dag of vijftig. Zou dat diertje kunnen bevatten hoe het is om zeventig of tachtig jaar oud te worden? Dat is onmogelijk. De Bijbel legt uit dat we in vergelijking met onze Grootse Schepper als sprinkhanen zijn. Zelfs ons verstand valt in het niet vergeleken met dat van God (Jesaja 40:22; 55:8, 9). Het is dus niet vreemd dat we sommige aspecten van Jehovah’s wezen niet helemaal kunnen begrijpen.

Hoewel het concept van een eeuwige God moeilijk te bevatten is, kunnen we er wel de logica van inzien. Als God door iemand was geschapen, zou die persoon de Schepper zijn. Maar de Bijbel legt uit dat Jehovah degene is die „alle dingen geschapen” heeft (Openbaring 4:11). Ook weten we dat het universum een begin heeft gehad (Genesis 1:1, 2). De Schepper ervan moest er dus vóór die tijd al zijn. Hij bestond ook al voordat er andere intelligente wezens waren, zoals zijn eerstgeboren Zoon en de engelen (Job 38:4, 7; Kolossenzen 1:15). Er moet dus een tijd geweest zijn dat hij de enige was die bestond. Hij kan niet geschapen zijn; er bestond niemand die dat had kunnen doen.

Ons eigen bestaan en dat van het hele universum wijst op het bestaan van een eeuwige God. Degene die het gigantische universum in beweging heeft gebracht en de natuurwetten heeft ingesteld, moet er altijd zijn geweest. Alleen hij heeft al het andere tot bestaan kunnen brengen (Job 33:4).